Auteur: Ds. J. van Limbeek, Oud-Vossemeer
Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel (Spreuken 25:25)
Water is een zaak van levensbelang. Wat een zegen is het, dat wij dit uit de kraan kunnen halen: schoon, gezuiverd, helder water. Je drinkt het op, kookt je eten erin, spoelt jezelf schoon in de badkamer. In de hitte van de zomer of in een heet land als Israël is koud water des te heerlijker. We kunnen dan hopelijk in de ziel er iets van begrijpen, als de dichter het uitzingt: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God (Ps. 42:3a). In Cuba is de situatie momenteel uiterst nijpend: grote tekorten aan primaire levensbehoeften, het land staat op instorten. Wat heeft deze tekst hen en ons veel te zeggen! Onze tekst vergelijkt koud water met een goede tijding.
Diegene die ernaar verlangt, is vermoeid, zo staat er.
Bovenstaande wijsheidsspreuk leert dat het goed is voor een vermoeide ziel om in dit leven een goede tijding te horen. Verfrissend en dorstlessend, heerlijk! Zoals we in de zomerhitte kunnen dorsten en verlangen naar een beker koud water, zo is een goede tijding uit een ver land. Geestelijk gezien is de béste tijding van Godswege gekomen. Nadat Hij veelmaals door de profeten gesproken heeft, heeft de HEERE in het laatste der dagen gesproken door Zijn Zoon. De Spreukendichter schrijft, dat die tijding op ons moet komen, van boven. Zien we die uitgeputte pelgrim voor ons, die in het moerbeidal een milde regen op zich krijgt, waardoor hij verfrist wordt
en de weg naar Jeruzalem kan vervolgen? Een beeld van het geestelijk leven.
Uit de hoge hemel, het verre land, sprak en spreekt Hij door Woord en Geest tot Adamskinderen die dorst en droogte op aarde moeten inleven. Maar zoals water naar binnen moet, is dat ook geestelijk nodig. Die wedergeboorte is nodig. Dan gaan dorre doodsbeenderen levend worden, als de stroom van de Geest op ons komt en ons doortrekt. O, ging u en jij al dorsten naar God, ontdekt aan onze schuld? Hebben we Zijn stem innerlijk, persoonlijk gehoord? Zijn we begerig, met open mond, als naar koud water in zomerhitte? Mogen er maar veel open monden zijn, die veel van God vragen – Hij zal ze naar Zijn welbehagen in Christus vullen. ‘Eist van Mij vrijmoedig’! En wie dan heeft mogen drinken, die zal steeds wéér verlangen te drinken. Die kan die tijding uit het verre land niet missen. Die kan op eigen onreine bron niet teren, maar moet een fontein van fris en levend water van Gods zijde ontvangen. Door Zijn Geest gaat Hij degenen die in Christus zijn, máken tot een bron vanuit het hart, waaruit frisse stromen voortkomen: het nieuwe leven, dat vruchten van geloof en bekering voortbrengt.
Waarom kan dat? Om Hem Die géén koud water aan Golgotha’s kruis kreeg, maar dorst en helse pijn leed, om de goede Evangelietijding te waarborgen. De Borg en Middelaar van het nieuwe verbond kreeg déze behandeling. Hij nám die op Zich. Er staat in Johannes 19:28 dat de Heere dorst had. Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond. En toen kon Hij het uitroepen, gedrenkt met dit bittere water van de zonde, om Zelf als zondeloos Lam het te kunnen prediken: Het is volbracht! Vermoeide zielen vinden alleen in Hem door het ware geloof wáre rust! Wat een volheid in Hem!
Deze meditatie verscheen in april 2026 in onze Zendingsbode